Month: October 2015

Diversiteit en de Witheid van De Correspondent

Diversiteit is (weer) en vogue. De Correspondent heeft onlangs een mea culpa-schuine streep-oproep tot sollicitatie geplaatst op hun website waarin ze toegeven dat zij “het belang van diversiteit te lang [hebben] onderschat.” De redactie is nu op zoek naar “diversiteit.” Karel Smouter, adjunct-hoofdredacteur Migratie, Religie & Mensenrechten (dus je kunt ervan uitgaan dat hij van wanten weet), onderstreept het belang van diversiteit op een manier die appelleert aan redelijkheid. Hij haalt percentages aan, en bezigt generieke uitdrukkingen zoals “betere afspiegeling van de samenleving.”

Het wrange is dat het streven naar een “betere afspiegeling van de samenleving” niet automatisch leidt naar een bevraging en ontmanteling van Witheid als machtsstructuur. Misschien is dat ook wel de bedoeling. Vertegenwoordiging zonder politisering. Een diverse redactie (of een diversiteitbeleid) vertaalt ook niet direct naar een “veilige” werkomgeving voor Nederlanders van kleur en/of een kritischer redactie. Net zo min als een diverse politieapparaat leidt tot minder gevallen van raciale profilering. “Kleur” staat niet gelijk aan “kritisch.” Zie de Braboneger. Er zijn genoeg Nederlanders van kleur die een neoliberale burgerschap, of anti-Zwartheid, expliciet, of impliciet, omarmen. Er zijn zat Nederlanders van kleur die verlangen naar inclusiviteit binnen een natiestaat die zij ongemoeid laten; zij willen de natiestaat beter maken en net zoals “andere Nederlanders” behandeld worden.

Witheid is niet alleen een kwestie van huidskleur. Tijdens het Nederlands kolonialisme in Indonesië werden Japanners gecategoriseerd als “Wit” in tegenstelling tot andere Aziaten. Het significante aan Witheid is dat het niet alleen gaat om institutionele processen, zoals kennissystemen, maar ook om gedragingen; het is een continue proces dat de wereld op een bepaalde wijze wil ordenen. Witheid is met andere woorden een ​​cultureel, sociaal, en politiek systeem dat wordt geproduceerd en gereproduceerd op een institutioneel en individueel niveau. Het betreft dus enerzijds processen op het alledaags niveau (b.v. werving en selectie binnen instituten), en anderzijds processen op een conceptueel niveau (b.v. kennis—wat geldt als kennis en wie gelden als legitieme kennisproducenten—en hoe er invulling wordt gegeven aan het concept “mensheid,” een concept dat zijn oorsprong heeft in De Verlichting). Omdat Witheid een proces is, moeten we opmerkzaam zijn op hoe individuen en instituten het idee Wit-als-normatief verschonen en rehabiliteren.

Diversiteit kan worden gebruikt als een middel om de gevestigde orde—met andere woorden Witheid—“beter te maken.” Diversiteit als meerwaarde veronderstelt dat “verschil” iets is dat mensen die afwijken van de heersende norm (zowel letterlijk als figuurlijk) belichamen en toe kunnen voegen aan de gevestigde orde om het “eerlijker” te maken. De waarde die aan een verschil, zoals huidskleur, wordt toegedicht, is niet willekeurig, maar gepolitiseerd en historisch bepaald. Binnen de context van “diversiteit als meerwaarde” worden gepolitiseerde verschillen gereduceerd tot economisch rendabele eigenschappen die goed zijn voor business. Argumenten voor diversiteit komen dan ook bijna altijd neer op “diversiteit is goed voor de zaken, want het leidt tot meer creativiteit.” De gevestigde orde kan van de voordelen van verschillen genieten door deze in te lijven—zonder dat er structurele veranderingen plaats hoeven te vinden. Het is een win-win situatie voor alle partijen: in dit geval wordt De Correspondent “beter” en helpt het Nederlanders van kleur aan een baan.

Diversiteit is dan slechts een technocratisch middel om negatieve effecten tegen te gaan, en het werk van De Correspondent “legitiem te maken.” Het diversiteitbeleid is, zoals Sara Ahmed opmerkt in The language of diversity, een neoliberale techniek van bestuur en management waarmee gepolitiseerde verschillen en historisch contingente processen kunnen worden gedepolitiseerd. Het is geen wonder dat diversiteit is verworden tot een oproep om meer “kleur,” meer mensen met verschillende “culturele achtergronden en perspectieven”—allemaal met het oog op het leveren van “betere” diensten/service. Echter, door diversiteit te reduceren tot “meer kleur” wordt diversiteit losgekoppeld van een zeer lange geschiedenis van strijd, gevoerd door Nederlanders van kleur uit de “voormalige” Nederlandse koloniën, tegen de normen en processen van Witheid.

Het diversiteitbeleid is in essentie het managen van verschil, en percentages zijn bij uitstek het middel om een quotum te bepalen. Eerder bestempelde ik de uitdrukking “een betere afspiegeling van de samenleving” als generiek omdat het machtsverhoudingen maskeert; deze uitdrukking is nietszeggend binnen de context van diversiteit omdat het de samenleving an sich niet problematiseert, terwijl een term als “diversiteit,” zeker wanneer men het plaatst binnen een historische en politieke context (migratiebeleid, asielbeleid, racisme op het arbeidsmarkt, racisme in het onderwijssysteem, het koloniaal verleden), dat wel doet. Het is goed om even stil te staan bij de 12% en 35% die worden aangehaald. Wat te doen als het aantal redacteuren van kleur de grens van 12 (of 35) % passeert? Tegenover diversiteit staat er ook zoiets als “te veel diversiteit.” Een “overschot” aan diversiteit kan “lastig of zelfs gevaarlijk zijn,” of het “kan meerwaarde ook in de weg staan.” Te veel van het goede is ook niet goed

Het is niet vreemd dat diversiteit vaak in ecologische termen wordt uitgedrukt. De Correspondent wil dan ook “een klimaat [scheppen] waar diversiteit goed gedijt.” Er is nu te veel van het één (Wit), en nu moet er wat van het ander erbij (kleur). In dit licht wordt diversiteit, verwoord als “meer kleur,” gezien als een “ecologische correctie.” Het accent is dus nu op een gedepolitiseerde diversiteit komen te liggen—in plaats van de verschillende vormen van kennisproductie die Witheid normaliseren en bestendigen. De Correspondent wil blijkbaar niet een klimaat scheppen waar het analyseren en ontmantelen van Witheid voorop staat. Mijns inziens lijkt het alsof diversiteit wordt ingezet als een “racismeverzekering,” een verzekering die schade aan de reputatie—in geval van beschuldigingen van racisme—minimaliseert of wellicht geheel voorkomt. Ik vermoed dat de racistische faux-pas die het NRC heeft begaan fungeert als een “cautionary tale.” De Correspondent heeft op een opportuun moment het licht gezien.

Tot slot: Witheid is niet het overkoepelend kader dat diversiteit begrijpelijk maakt. Een redactie bestaande uit alleen Antilliaanse, Surinaamse, Marokkaanse, Turkse, Afghaanse, Somalische, Chinese, Nigeriaanse, Braziliaanse, Colombiaanse, Chileense, Vietnamese, Ghanese Nederlanders—dus zonder koloniale Nederlanders—is weliswaar niet een “afspiegeling van de samenleving,” maar het is wel divers. Koloniale Nederlander is mijn suggestie voor het stijlboek van De Correspondent, aangezien er niet staat aangegeven hoe (voormalige) autochtonen, oftewel “gewone” Nederlanders, voortaan te boek zullen staan. Een gepolitiseerde diversiteit komt niet neer op “voeg kleur toe en roer het geheel glad.”

Learn it, and learn it well.

Advertisements

Politicising ‘Diversity’ inside the White Male Academic Powerhouse

University of Groningen - Senate Room (AWJ Creative Commons)

University of Groningen – Senate Room (AWJ Creative Commons)

I was invited to debate ‘Diversity’ at the event Night of the University: Towards a New Academia! in the University of Groningen. The panellists were asked to address the following questions in their 4-minute opening pitches:

Why is our University white and are 90% of our professors male? Can Dutch universities do more to make foreign students and female researchers to feel comfortable and respected in Academia?

And so I responded:

I believe that Dutch universities are white and male because the image and imagination of Academic proficiency is associated with the authoritative figure of the white Western man. Academia in the Netherlands carries the heavy heritage of colonialism and patriarchy. The university is then not sufficiently acting as a site of problematisation and transformation of hegemonic social trends, but as a (re)producer of them. The white male norm will only change when it is acknowledged as a problem.

Board of Directors of the University of Groningen

Board of Directors  – University of Groningen

Recognising whiteness in the universities requires understanding what it means in the Dutch context. Here, the non-white is the non-native non-Western (the niet-Westerse allochtoon) who is the primary target of exclusionary practice and policy. Exclusion and racial segregation have been the topic of heated public debate in the recent years. This debate has not managed to break into the walls of Dutch academia, not even into the discussion about the ‘democratisation’ of the university (the University of Colour being one of the shining exceptions).

‘Diversity’ is a buzzword in Dutch policy and academic circles, which has been emptied of its political meaning. By this I mean that debates on ‘diversity’ avoid the hierarchy of human difference (after Frantz Fanon) that rules institutional arrangements and sociability. Being different equals being less and having less opportunities depending on the difference you embody. ‘Diversity’ purposefully circumvented this fundamental question Instead it has focused mainly on providing the individual that embodies difference – that rarity in academic corridors – with skills and resilience to navigate the hegemonic culture. Institutions have been left largely unproblematised.

Debating ‘diversity’ requires problematising power structures in Academia. It is fundamental to gear our gaze towards the institutional culture of the reproduction of sameness (in the words of Philomena Essed and David Goldberg). The ‘habit’ of creating and cloning spaces inhabited by the hegemonic ‘type’ of subject that speaks the same academic ‘language,’ and produces the same kind of knowledge is an unchecked practice of injustice and inequality. It safeguards the homogeneity of what should be a heterogeneous and intellectually stimulating space for critical and creative thinking.

The university must indeed be a space for critical reflection on such processes AND for a practice in accordance. So far, Dutch academic institutions are spaces for the normative scholar – white, male, cisgender, heterosexual, young student, middle-aged professor, (upper) middle-class, secular, documented, healthy and abled body – to flourish through the production of knowledge for a better – then more just and equal – world. How askew is the settled practice in Dutch academia to include the other as object of inquiry while the agent of knowledge remains the normative self?

Altogether, questioning the lack of ‘diversity’ in Dutch academia requires addressing fundamental issues at two levels:

Firstly, at the level of representation, which means asking questions such as:

Is the body of students, scholars and non-academic staff normative? Can the non-normative student, scholar and non-academic staff flourish? How to change settled practices of exclusion with an eye on intersectionality? Are there affirmative policies? Are buildings accessible for differently-abled persons? Which are the policies on childcare?

The second level of issues that must be addressed is the epistemological, which means asking questions such as:

Is the curriculum white and male? Look at the body of theories taught: are they all Western? Where is the Global South in the curriculum? Look at citation practices: are theories/texts of non-white men in the reading lists and articles written?

If we are to address ‘diversity’ in Dutch academia, we must embrace the discomfort that it will cause as this query unavoidably dislodges the habits of hegemonic whiteness/sameness and upsets the hegemonic subjects of academic normativity, as it should. Otherwise, we are just making conversation.