Month: July 2016

Validisme is een onderdrukking

Al vaker heb ik geschreven over hoe onderdrukkingen gebruikt worden om andere onderdrukkingen te bevechten. Het is kennelijk anti-racistisch om homofobe uitingen te doen, anti-seksistisch om te strooien met allerlei validistische theorietjes, anti-homofoob om islamofoob te doen en sowieso mensen fat shamen kan ook altijd.

Een van de onderdrukkingen waarbij het dus ook misgaat is validisme (in het Engels, ableism). In het Nederlands is het soms lastig uit te leggen omdat het woord ‘gehandicapt’ niet geheel dezelfde lading heeft als het Engelse ‘disabled’. Iemand die borderline heeft (of zichzelf aanmerkt als borderliner) wordt niet echt gezien als gehandicapt, maar is wel disabled. Ik zal in dit stuk dan ook de Engelse term disabled gebruiken.Ik heb besloten in dit stuk te focussen op mensen met zogeheten ‘psychiatrische problematiek’. Dat betekent geenzins dat mensen die bijvoorbeeld gebruik maken van een rolstoel, doof zijn of blind niet onderdrukt worden door validisme.

Raymond Westerdorp stierf in 2009 alleen in een isoleercel nadat het ziekenhuis uit validistische overwegigen had besloten om hem niet te behandelen. Artsen van het ziekenhuis hadden geen ‘trek in een lastige onberekenbare man‘. Raymond is tienmaal geweigerd en uiteindelijk met gebroken ribben, een geperforeerde long en hersenletsel bij terugkomst in de GGZ-instelling waarin bij verbleef de isoleercel in gezet. Daar is hij alleen gestorven. Er is niemand vervolgd voor de dood van Raymond. Het OM “realiseert zich dat deze juridische werkelijkheid niet strookt met de gevoelens van verontwaardiging in de maatschappij en zeker niet met de gevoelens bij de nabestaanden.”

In 2008 stierf een man terwijl hij onder de ‘zorg’ was van de GGZ-instelling Arkin te Amsterdam. Het autopsierapport van de instelling gaf aan dat hij een natuurlijke dood was gestorven. Nadat de familie aandrong op een onafhankelijke autopsie bleek de man gestikt te zijn in een stuk brood. Ook deze man stierf alleen, in een isoleercel. Een aantal mensen werden ontslagen en het geheel werd als een leermoment gezien voor Arkin.

In 2015 beindigde een 28-jarige vluchteling zijn leven in Rotterdam. Hij zou uitgezet worden naar Frankrijk omdat hij daar zijn eerste asielprocedure had lopen. In de eerste zes maanden van 2014 waren er in de diverse asielzoekerscentra in Nederland dertien zelfmoorden, tachtig zelfmoordpogingen, vier zelfverbrandingen te betreuren.

Marian Zurhaar verloor twee van haar kinderen met psychische problematiek. Haar dochter klopte zelf voor hulp aan bij een GGZ-instelling maar werd als ‘niet erg genoeg om op te nemen of om onmiddelijke hulp te krijgen’ bestempeld.Haar dochter overleed toen zij uit het leven stapte. Haar zoon kreeg een verkeerde diagnose en medicatie. Hij werd wel opgenomen, werd depressiever en depressiever en maakte uiteindelijke en einde aan zijn leven. Marian heeft de behandelaren (alhoewel ik persoonlijk betwijfel hoeveel er nu echt behandeld is) voor het tuchtcollege gesleept. Op het moment van schrijven kon ik nog geen uitspraak vinden. Een interview met deze moeder met haar onmenselijke verdriet is hier te bekijken.

Martin Bertrums springt in 2014 van een flat. Hij woonde in een GGZ-instelling en er werd besloten dat Martin op zichzelf moest gaan wonen, mede omdat het aantal bedden afgebouwd werd.  Door alle bezuinigingen in de GGZ worden patienten zogenaamd ‘gestimuleerd’ om op zichzelf te gaan wonen. Mensen die in grote psychische nood zitten worden of naar huis gestuurd of op straat (als ze geen huis meer hebben nadat ze jaren in een instelling gewoond hebben).

Ik ben zelf meerdere malen opgenomen geweest in psychiatrische klinieken, en inderdaad naar huis gestuurd als de bedden vol waren of wanneer men vond dat ik het ‘zelf’ moest gaan proberen. Dit resulteerde overigens gewoonweg in weer een nieuwe opname na een aantal dagen, waarbij ik dan na een paar dagen soms weer overgeplaatst werd omdat de bedden weer vol waren etc etc. Nooit heb ik daar overigens behandeling gekregen, wel gedwongen medicatie en ik ben enkele isoleercellen ingegooid (zonder dat ik tot op de dag van vandaag begrijp waarom). Mensen die hun zogeheten indicatie verliezen worden uit de instelling geplaatst en moeten dan in een wirwar van bureaucratie zelf een huis zien te regelen . Wat niet onvermeld mag blijven is dat de indicaties om met spoed een huis te krijgen heel erg zijn afgebouwd, waardoor de meest schrijnende gevallen gewoonweg geen woning krijgen en op straat of bij vrienden en familie moeten verblijven. Waarschijnlijk voldoet dit aan het idee van de zogenaamde participatiemaatschappij maar iemand die erg ziek is of disabled is en daarom bepaalde aanpassingen nodig heeft kan niet altijd zomaar bij familie neergezet worden en dan kijken we wel hoe het gaat. De woningmarkt ligt natuurlijk al tientallen jaren op zijn gat, maar het schijnt volgens onze regering uiteraard de schuld te zijn van allerlei andere groepen en niet de regering zelf. Ik wil heel erg duidelijk maken dat het de regering is die besluit om sociale huur in de verkoop te gooien, het is de regering die geen nieuwe huizen wil bijbouwen, de regering die cooperaties dwingen om plots verhuurdersverheffingen te betalen en de regering die vindt dat mensen hun lot maar moeten zoeken in vreemde tijdelijke constructies omdat een dak boven je hoofd kennelijk geen basisrecht meer is voor allen.

Emad Fatihy Kafil Salem stapte uit het leven in 1999. Hij was als vluchteling naar Nederland gekomen en zijn zelfmoord kwam kort nadat de IND hem had verhoord en druk op hem uitoefenden ondanks de diverse medische verklaringen die dat afraadden (let wel, de IND moet uiteraard sowieso vluchtelingen niet door de mangel halen in een poging hen te kunnen uitzetten, statussen te weigeren en van alles te proberen om te zorgen dat vluchtelingen maar niet ‘legaal’ in Nederland kunnen verblijven).

In 2013 stief Aleksandr Dolmatov. Hij was ten onrechte vastgehouden, zijn aanvraag tot asiel was ten onrechte bestempeld als ‘verwijderbaar’ en de verpleegsters in het detentiecentrum te Rotterdam hebben ten onrechte geen arts ingeschakeld om Aleksandr de hulp te bieden waar hij recht op had.

Armando Panday stierf in 2014 in een begeleidend wonen project. Nadat hij in een gevecht geraakte met zijn begeleider werd hij hardhandig in een klemgreep gehouden en stierf ter plekke. De begeleider bleek niet over de juiste papieren te beschikken om dit werk te mogen doen, was alleen op de afdeling en had geen idee hoe hij iemand tot kalmte kon manen zonder hem in een klemgreep tegen de grond te werken. De Inspectie voor de Gezondheidszorg besloot dat de instelling wel zelf een eigen onderzoek kon gaan doen ondanks dat het de bedoeling is dat zij dat als zogenaamd onafhankelijk instituut zelf doen. Zijn ouders hebben een stille toch voor hem georganiseerd en proberen gerechtigheid te zoeken inzake de dood van hun zoon.

Na een aanval van 4 ‘begeleiders’ sterft Roelie in 2012 te Onnen, slechts 44 jaar jong, in wederom een isoleercel. Roelie is doodgedrukt door haar 4 ‘begeleiders’. De avond voor haar overlijden is ze onrustig. Onderweg naar de ‘time-outkamer’ raakt ze buiten zinnen, waarop vier vrouwelijke begeleiders haar door de deur duwen en, eenmaal binnen, op de grond drukken. De camera’s in de gang en in de afzonderingsruimte leggen alles vast.
Er zijn filmbeelden gemaakt; Roelie die zich wanhopig vastklemt aan de deur. De vier vrouwen, die haar armen in een onnatuurlijke hoek wringen. Ze trekken haar trui uit, ontbloten haar buik. Roelie trapt van zich af. Volgende shot: drie begeleiders liggen bovenop Roelie. Nummer vier, een vrouw in een jas met bontkraag, belt de politie. Met haar rechterlaarsje stampt ze op het rechterbeen van de gehandicapte vrouw. Het OM vervolgt deze ‘begeleiders’ niet; hun handelen wordt slechts als onprofessioneel gezien.

Michelle gaat een euthanasieaanvraag doen. Niet omdat ze dood wil, maar omdat de PAAZ-afdeling waar zij woont vindt dat zij ‘uitbehandeld’ is en er in de GGZ verder geen hulp voor haar lijkt te zijn. Het zelfbeschikkingsrecht over je eigen leven is erg belangrijk, maar hier wordt euthanasie ingezet omdat de systemen in de maatschappij die er zouden moeten zijn om mensen te ondersteunen niet aanwezig zijn. Een goed stuk hierover is van Flavia Dzodan.

Al deze mensen, en veel meer, zijn gestorven, enkel en alleen omdat onze maatschappij besloten heeft dat disabled mensen minder waard zijn, geen menswaardige behandeling verdienen, te duur zijn, te lastig en bijna een soort objecten waar geen respect en genoegdoening voor nodig is. Disabled mensen vermoorden op en buiten beeld is kennelijk slechts onprofessioneel, jammer of een leermoment. Disabled mensen en het lot dat hen in deze maatschappij helaas vaak te wachten staat zijn een stuk meer waard dan als tool gebruikt te worden in je twitter fittie met iemand die je niet aardig vindt terwijl je daarnaast grappen maakt over de DSM. Welk label een persoon krijgt via de DSM bepaalt hoe ‘gevaarlijk’ zij wel of niet zijn en hoe belangrijk hun leven wel of niet waard is. De GGZ in Nederland is wat dat betreft een afspiegeling van de maatschappij omdat homofobie, racisme, seksisme en allerlei andere onderdrukkingen naast het validisme er welig tieren. Het is een zaak van ons allen die tegen onderdrukkingen strijden om de strijd van disabled mensen te ondersteunen en niet slechts te gebruiken wanneer het je wel fijn uitkomt.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Advertisements

Raciale Profilering

Onlangs heeft Groenlinks gepleit voor de invoering van “stopformulieren” als een middel tegen raciale profilering. Stopformulieren zijn formulieren waarop agenten die iemand staande houden moeten aangeven waarom ze hen staande houden. Volgens Groenlinks zullen “stopformulieren deze vorm van discriminatie [raciale profilering] effectief tegengaan.” Het klinkt zo gesteld inderdaad aannemelijk dat stopformulieren een “effectief” middel zijn tegen het bestrijden van “deze vorm van discriminatie.” Om dit te illustreren schrijft men dat voor het invoeren van stopformulieren in het Verenigd Koninkrijk “etnische minderheden eerst zeven keer vaker [werden] aangehouden,” en dat het sindsdien is “afgenomen tot vier keer.” Mijn vraag is: voor wie is dit een “succes”? Het lijkt alsof nu wordt gesuggereerd dat “wij” [mensen van kleur? Witte mensen?] een daling van zeven keer vaker tot vier keer vaker moeten zien als een “verbetering.” Of ik nu zeven keer vaker of vier keer vaker te maken heb met racistische handhavingspraktijken, ik blijf een verhoogde kans hebben: en het blijft racisme—ongeacht de “daling.”

Een probleem met dit soort statistische gegevens is dat het weinig zegt over het racialiseringsproces. De fictie dat er stabiele groepen mensen bestaan met “inherente eigenschappen” moet worden bevestigd alsof het DE waarheid is. Het is opvallend dat Groenlinks op haar website stelt dat agenten, “bewust of onbewust, uiterlijke kenmerken van mensen [combineren] met beelden over stereotype daders zonder dat daar concrete aanleiding toe is.” Het lijkt nu net alsof wanneer er een “concrete aanleiding” is het combineren van uiterlijke kenmerken met beelden over “stereotype daders” geoorloofd is… De vraag is: wie zijn die “stereotype daders”? Hoe wordt dat beeld van stereotype daders gecreëerd en in stand gehouden? Hoewel ik nu mijn pijlen richt op Groenlinks, de partij zelf is niet mijn doel. Het gaat mij om de manier waarop er wordt gepraat over raciale profilering en de “oplossingen” die worden aangedragen. Deze zijn symptomatisch van een ernstige analysefout die raciale profilering ziet als een van de norm afwijkend patroon.

Raciale profilering wordt neergezet als een netjes afgebakend probleem dat door stopformulieren kan worden verholpen. Raciale profilering moet echter in een breder context worden geplaatst. Raciale profilering oftewel racialisering is een wezenlijk onderdeel van het bestuursproces: het systematisch ontrechten van Zwarte mensen en mensen van kleur, witte autoriteit en machtstructuur bestendigen door middel van een wit ambtenarenstelsel, een wit politieapparaat en wetten, beleid, en verordeningen die door witte mensen zijn geschreven.  “We” moeten dan ook niet alleen hoe de politie invulling geeft aan “haar taak” kritisch analyseren, maar heel het bestuursproces ter discussie stellen. Groenlinks stelt verder dat “etnisch profileren een weinig effectieve manier [is] om misdaden op te sporen. Dus zonde van de politiecapaciteit.” Het is belangrijk om wat dieper in te gaan op de vorm die “misdaden opsporen” heeft aangenomen in een context waar efficiëntie, effectiviteit en “voorkomen is beter dan genezen” de toon zetten.

In een aantal steden (o.a. Rotterdam, Groningen en Zwolle)  is er een speciaal politieteam Antillianen; dat is een rechercheteam dat zich specifiek richt op het aanpakken van criminele Antillianen. Rotterdam introduceerde ook een speciale stadsmarinier voor Antillianen. De stadsmarinier is “een ambtenaar met extra bevoegdheden op het gebied van de openbare orde.” De stadsmarinier fungeert als “de ogen en oren van de gemeente.”  Handhaving en orde, misdaden en misstanden opsporen krijgen een steeds openlijker militaristisch karakter. Het is dan ook niet verwonderlijk dat op de functie van stadsmarinier in Capelle aan den IJssel “(voormalige) politieagenten, net afgestudeerde academici en ex-militairen met gevechtservaring” hebben gesolliciteerd. In Amsterdam heeft de politie samengewerkt met het leger waarbij politieagenten en militairen de bevolking indeelden “in groepen en identificeerden manieren waarop die te bereiken waren.” Dit alles werd gedaan met de steun van burgemeester Van der Laan die “een speciale ‘bijstandsaanvraag voor militaire steunverlening in het algemeen belang’” had goedgekeurd (hierover later meer). Dit is één van de vele manieren waarop niet alleen het politiewerk, maar ook het werk van de gemeente op het gebied van het verbeteren van de “leefbaarheid” en “veiligheid” militariseert. In hoeverre zullen stopformulieren tegen “deze vorm van discriminatie” werken?

Raciale profilering en het systematisch mikken op Zwarte mensen en mensen van kleur heeft een lange geschiedenis en moet in deze historische context worden geplaatst. Het is niet iets van “de laatste tijd,” en het is ook niet uit de lucht komen vallen. Al sinds de jaren 30 van de vorige eeuw ageren Zwarte mensen tegen raciale profilering. Ik citeer uit het Volksblad van 8 juni 1937:

“Onder de zwarte Nederlanders (Surinamers) heerst grote ontevredenheid over het werkverbod, afgekondigd door de Amsterdamse politie, waardoor aan deze zwarte bevolkingsgroep elke bestaansmogelijkheid ontnomen wordt. Aan deze bepaling wordt veel te weinig aandacht geschonken, want wat is nu meer ondenkbaar, dan een verbod voor Nederlanders om in Nederland te werken? Want dit verbod geldt niet alleen bepaalde personen, zoals de politie wil doen geloven, maar is het algemeen. Zo gaat de Amsterdamse politie systematisch voort met hen uit café-restaurantsbedrijf te verdrijven en het Nederlandse volk tegen ons op te hitsen.” (zie ook hier en hier)

De toenmalige hoofdcommissaris van de politie te Amsterdam verklaarde “dat deze negers, die er op uit zijn, geslachtelijken omgang met blanke meisjes te hebben, een maatschappelijk kwaad zijn, tegen wier aanwezigheid zoo krachtig mogelijk dient te worden opgetreden.”

Kit Kat 2.png

Vergelijk dit met uitspraken van voormalige wethouder Geluk van Leefbaar Rotterdam: “[Antilliaanse criminelen] moet het leven absoluut onmogelijk worden gemaakt. Net zoals we bij extremisten doen.” Volgens Geluk worden met name de Antillianen “steeds gewelddadiger en extremer, ook in hun seksualiteit.”

Allochtonenstop.png

Werkverboden, gebiedsverboden, samenscholingsverbonden, toegangsweigeringen, “antillianen-camera’s,” “Allochtonenstop,” staandehoudingen, 100% controle beleid op vluchten vanaf de Antillen, de Rotterdamwet, de Bosmanwet liggen allemaal in elkaars verlengde en zijn stuk voor stuk bedoeld om de toegang tot en daarmee de bewegingsvrijheid van personen van kleur in de “openbare” ruimte te reguleren. Er is een lange geschiedenis van het invoeren van wetten, verordeningen, en beleid die als doel hebben (gehad) het reguleren van de toegang tot Nederland (migratiewetgeving), de “publieke” ruimte (gebiedsverboden), of bepalen waar mensen van kleur wel of niet kunnen wonen (zoals het spreidingsbeleid). Het screenen van mensen is sinds de invoering van de Rotterdamwet alleen maar intenser geworden. Staandehoudingen zijn dus slechts een van de manieren waarop de politie/de Staat de bewegingsvrijheid (en daarmee het gedrag) van mensen (van kleur) probeert te reguleren.

Wanneer raciale profilering vanuit een breder perspectief wordt geanalyseerd dan kan er een gender-dimensie worden opgemerkt die anders “verborgen” zou blijven: raciale profilering volgt een gender-specifieke en patriarchale lijn die de kunstmatige scheiding publiek-privé bestendigt, waarbij de publieke ruimte wordt geassocieerd met mannelijkheid en de privé sfeer, huiselijke kring met vrouwelijkheid. De focus op mannen die staande gehouden worden in de “publieke” ruimte suggereert dat raciale profilering iets is waar voornamelijk of alleen maar mannen van kleur mee te maken hebben. Staandehoudingen en politiegeweld tegen Zwarte mannen en mannen van kleur krijgen meer aandacht omdat “deze vorm van discriminatie” in de “publieke” ruimte plaatsvindt. De nauwe focus op raciale profilering in de “publieke” ruimte maskeert het feit dat Zwarte vrouwen en vrouwen van kleur ook raciaal worden geprofileerd—hetzij in de privé sfeer (via “bemoeizorg”)  en dan voornamelijk als “slechte moeders” en/of alleenstaande moeders die criminaliteit in stand houden. Niet alleen Zwarte vrouwen en vrouwen van kleur zelf, maar ook hun reproductieve capaciteit wordt gecriminaliseerd (zie de uitspraak van PVV-kamerlid De Graaf die stelde dat “De Nederlandse eigenheid, identiteit en cultuur worden via immigratie en de baarmoeder om zeep geholpen,” of voormalige wethouder voor Leefbaar Rotterdam Van den Anker die pleitte voor gedwongen abortus bij “Antilliaanse tienermoeders.”)

In het beleidsprogramma Samen leven, samen werken van het kabinet Balkenende IV maakt politieagent Cor Louwers met de volgende citaat duidelijk dat er min of meer een directe samenhang is tussen wat er “op straat gebeurt” en de situatie “achter de voordeur”: “Sociale problemen ontstaan achter de voordeur. Wijkteams moeten zich dan ook meer richten op de persoonlijke omstandigheden van de mensen.”

Cor Louwers.png

Het “Achter de Voordeur” beleid is een beleidspraktijk waarmee de politie, om met de woorden van de nieuwe korpschef van de Nationale Politie Erik Akerboom te spreken, tot “in de haarvaten van de wijk” is doorgedrongen, en grip probeert te krijgen op sociale problemen. Inmenging in de persoonlijke omstandigheden van mensen wordt onder het mom van “preventief ingrijpen in wijken” gelegitimeerd. Huisbezoeken door interventieteams, bestaande uit de politie, medewerkers van projectbureau Veilig, de deelgemeente, Dienst Stedenbouw en Volkshuisvesting, Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn een vast onderdeel van dit beleid. Door middel van het huisbezoek probeert een interventieteam  “problemen bij mensen thuis in beeld te krijgen en hiervoor passende oplossingen te vinden die aansluiten bij de leefwereld van huishoudens.” De bezoeken die interventieteams brengen aan woningen en panden zijn onaangekondigd. Wanneer een interventieteam eenmaal binnen is, worden “de brandveiligheid, de papieren van bewoners, wie terecht dan wel onterecht een uitkering ontvangt en verder alles wat de teams aan problemen tegenkomen” gecontroleerd.

De politie heeft via het Achter de Voordeur-aanpak niet alleen toegang tot de leefruimte, maar ook tot de “sociale en emotionele wereld.” Deze beleidspraktijk sluit aan bij de visie van de politie: het “ont-anonimiseren van de burger en het identificeren van ‘kwaad’.” Het concentreren op “controle van de infrastructuur waarlangs mensen zich bewegen en waarlangs ook goederen, geld en informatie worden verplaatst” is een belangrijk proces daarbinnen. De wijken ingaan om “misdaad te bestrijden” is, volgens de politie, door de toegenomen mobiliteit van mensen niet meer efficiënt. “De controle door de politie zal hierdoor meer gericht zijn op mensen dan op delicten.” Deze herijkte visie dient in het licht van het project “PsyCops,” ook wel bekend onder de naam “Anders Kijken,” te worden geplaatst. Het project, dat in samenwerking met de Vrije Universiteit en Defensie is uitgevoerd, had als doel een “betere verbinding met de inwoners van de hoofdstad” te stimuleren en bij te dragen “aan een genuanceerdere kijk van politie op burgers.” Echter, in het rapport dat verscheen n.a.v. het project blijkt dat de politie en het leger zich voornamelijk hebben gericht op bepaalde typen burgers, namelijk “moskeebezoekende mannen tussen 25 en 40” en “allochtone ouders van jonge kinderen.” In het rapport kwamen “autochtone ouders nauwelijks ter sprake.”  Paul Mutsaers schrijft dat de hoofdcommissaris van de Amsterdamse politie tegenover hem verklaarde dat hij alles over hen te weten wil komen:

“Knowledge is power. So, for instance, I have a Moroccan target group. I want to know: where do their parents come from, exactly? Which specific areas? What kind of religion do they adhere to? Who has contact with whom?”

Wat hieruit blijkt, is dat niet iedereen wordt onderworpen aan dezelfde mate van toezicht en controle. Daarnaast is het onderscheid tussen “criminele” en “niet-criminele” mensen van kleur een flinterdun onderscheid: in de ogen van de politie is het gedrag van Zwarte mensen en mensen van kleur al gauw grensoverschrijdend. Zelfs “niets doen” kan dan voor “overlast” zorgen.

Kun jij duidelijk maken dat niets doen ook overlast kan geven.jpg

Mensen van kleur zijn vaak bij voorbaat verdacht—totdat het tegendeel bewezen is. In een artikel over institutioneel racisme en dwangopnames in de psychiatrie en gevangenissen citeert Froukje Bos Prof. dr. Frank Kortmann, psychiater en  hoogleraar  Transculturele  Psychiatrie, die stelt dat “binnen justitie en de GGZ wordt onbewust met twee maten gemeten: bij hetzelfde gedrag krijgen allochtonen vaker het label “crimineel” en autochtonen vaker het label “ziek.” Bij identieke ziekteverschijnselen worden allochtonen vaker als “gevaarlijk” bestempeld dan autochtonen […] Allochtonen worden bij hetzelfde gedrag: vaker aangehouden, krijgen minder vaak een waarschuwing, blijven langer in verzekerde bewaring, krijgen hogere straffen.”

Het gedrag en het innerlijk leven van jongeren van kleur wordt, zoals ook blijkt uit het onderzoek van Mieke Komen, vaak door “deskundigen” verkeerd geïnterpreteerd. Komen, verbonden aan de Universiteit van Utrecht, concludeerde in haar onderzoek dat witte gedragsdeskundigen die jongeren van kleur aan een persoonlijkheidsonderzoek onderwerpen hun gedrag vaker als negatief bestempelen, omdat forensisch psychologen, psychiaters en medewerkers van de Raad voor de Kinderbescherming “niet of onvoldoende [stilstaan] bij de verscheidenheid van culturen.” Als gevolg hiervan “verlopen gesprekken moeizaam en wordt allochtone verdachten in rapporten een gebrek aan échte spijt verweten of een gebrekkig geweten.” Niet alleen het gedrag van mensen van kleur wordt vaker als negatief ervaren dan het gedrag van witte Nederlanders; ook het moreel besef van mensen van kleur wordt als gebrekkig geïnterpreteerd. Het gedrag en het innerlijk leven van witte Nederlanders geldt nog altijd als norm. In 2012 publiceerde Motivaction een onderzoek waaruit “bleek” dat “jonge Turkse en Marokkaanse Nederlanders” meer en meer “op hun autochtone leeftijdsgenoten [zijn] gaan lijken.” Twee derde van de Turkse en Marokkaanse Nederlanders tussen de 20 en 35 jaar weet de  “‘oude’ en ‘nieuwe’ waarden” te combineren. De vraag natuurlijk is: voor wie is dit gegeven interessant?

 Het ont-anonimiseren van de burger, het monitoren en analyseren van het gedrag en het innerlijk leven van mensen (van kleur), het vergelijken van Nederlanders van kleur met witte Nederlanders heeft natuurlijk als doel om vroegtijdig risicopersonen en deviant gedrag te signaleren en te corrigeren. Doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg. We leven nu in een wereld waar sociale media het nieuwe DNA wordt genoemd. Online rechercheren in sociale media wordt steeds vaker gebruikt. De politie maakt ook steeds meer gebruik van data mining, data analytics bij de sturing van  het politiewerk. De Amsterdamse politie heeft het Criminaliteits Anticipatie Systeem ontwikkeld waarmee zij misdaadrisico’s kan voorspellen “op grond van grote hoeveelheden data die aan elkaar worden gekoppeld.” Het kunnen voorspellen van en het anticiperen op risico’s/criminaliteit door middel van een computermodel maakt, volgens de voormalige minister van Veiligheid en Justitie, “een directere (sturing op de) inzet van de politiecapaciteit mogelijk, waardoor efficiëntie en in het bijzonder effectiviteit van de inzet wordt vergroot.”

 Deze vorm van politiewerk, ook wel predictive policing genoemd, is iets dat overgewaaid is uit de V.S.; “innovatieve” handhavingstactieken uit andere landen worden vaak overgenomen door de Nederlandse politie. In De politie van de toekomst houdt iedere burger non-stop in de gaten, een artikel over predictive policing, stelt Marc Schuilenburg, universitair docent strafrecht en criminologie aan de Vrije Universiteit, dat “voorspellend politiewerk” de aard van het Nederlands strafrecht verandert. Schuilenburg beargumenteert dat predictive policing “niet de concrete handeling, maar het innerlijk leven van een burger strafbaar” stelt. Hij vervolgt: “Je zou kunnen zeggen dat daarmee het klassieke daadstrafrecht langzaam maar zeker verandert in een intentiestrafrecht: de intentie om iets crimineels te doen is strafbaar, in plaats van de handeling zelf.” Anne Schepers concludeert dat het gevaar dreigt “dat de politie daarmee een soort psychiater wordt.” De politie houdt zich echter niet alleen bezig met gedragsvoorspelling maar ook met gedragsbeïnvloeding—getuige het project “PsyCops.” Uit het rapport over PsyCops blijkt dat de politie vindt dat “vooral op het gebied van gedragsbeïnvloeding […] de militaire methode een toevoeging” is. Ondanks het feit dat het project “PsyCops,” het inzetten van “flex camera’s” om “overlast-veroorzakende Antillianen en Afrikanen beter in beeld te krijgen,” en speciale rechercheteams voor Antillianen duidelijk maken dat de politie met name Zwarte mensen en mensen van kleur in de gaten houden, wordt er in het artikel van Anne Schepers met geen woord hierover gerept. Het artikel van Schepers geeft de indruk dat de predictive policing totaal geen raciale dimensie heeft.  In “de toekomst” zal de politie wellicht iedere burger in de gaten houden, maar bepaalde burgers zullen meer in de gaten gehouden worden dan anderen.

 In een recentelijk verschenen artikel van Marc Schuilenburg wordt die raciale dimensie wel expliciet besproken. Schuilenburg stelt dat predictive policing “vooral burgers van andere afkomst of met donkere huidskleur hebben” benadeeld. Uit een onderzoek uit de V.S. blijkt dat “zwarte burgers ten onrechte twee keer zo vaak als toekomstige criminelen uit het politiesysteem rollen dan blanke personen.” Schuilenburg wijst er nogmaals op dat door predictive policing “de neiging van de politie groter [wordt] om het gedrag van burgers te psychologiseren.” Het is uitermate opvallend dat Schuilenburg niet verwijst naar het project “PsyCops”—de universiteit waar hij verbonden aan is, heeft nota bene bijgedragen aan dat project.

 Het beeld dat naar voren komt wanneer we deze zaken naast elkaar zetten is dat het opdelen van de bevolking in “bepaalde groepen” om hen beter in de gaten te kunnen houden, het screenen van mensen, het analyseren van gedrag om beter inzicht te krijgen belangrijke onderdelen zijn van het politiewerk: orde en handhaving. Raciale profilering wordt vaak gereduceerd tot iets waar “een paar rotte appels” zich schuldig aan maken. Het is juist het tegendeel: het speelt een essentiële rol in het politiewerk. Raciale profilering is ook meer dan alleen staandehoudingen. In een interview met Thijs Jansen (van Stichting Beroepseer) over goed politiewerk, vertrouwen en de cruciale intermenselijke relaties met de burger geeft Jaco van Hoorn (hoofd operatiën en plaatsvervangend politiechef bij de Nationale politie voor de eenheid Zeeland West Brabant) aan dat politiewerk meer is dan wat “de politie feitelijk doet.” Van Hoorn stelt dat “politiewerk ook een symbolische betekenis heeft.” Politiewerk is in zijn ogen “een soort moreel herstel,” hiermee bedoelt hij dat de politie “keer op keer de norm” bevestigt. Van Hoorn concludeert “dat wij als politie niet alleen de rechtsorde handhaven maar vooral ook de morele orde van een samenleving.” De politie is volgens hem op macroniveau “een soort ordenende, stabiliserende factor in de samenleving.”

 GroenLinks pleit tegen raciale profilering en tegelijkertijd voor het versterken van het (moreel?) gezag van de politie. De partij wil “dat de politie vaker en meer zichtbaar op straat aanwezig is […] om snel en effectief op te treden tegen misdaad en om burgers veiligheid te bieden.” De vraag is: wie voelt zich veiliger door “meer blauw op straat”? Mensen van kleur worden sowieso extra in de gaten gehouden. Ook vindt de partij dat “mensen zich door de politie vertegenwoordigd moeten voelen,” en daarom wil Groenlinks “dat er meer vrouwelijke en allochtone agenten in dienst komen.” Maar een “divers” politieapparaat zal bar weinig verandering aanbrengen in de symbolische betekenis van het politiewerk zelf—werk dat als “een soort moreel herstel” wordt gezien. Elke aanklacht tegen de politie zal dan al snel worden geïnterpreteerd als een aanklacht tegen de “morele orde.” En de vraag is of de wij, die de heersende “morele orde” omarmen, warm zullen lopen voor #abolishthepolice. Ondanks dat Groenlinks en de politie “ons” anders willen doen geloven is de politie in wezen de repressieve witte heteropatriarchale pinkwashing arm van de Staat—een per definitie racistische constructie. Dezelfde Staat die aan de ene kant claimt tegen racisme te zijn, en aan de andere kant racistisch beleid implementeert. Dezelfde Staat die zich opwerpt als beschermer van “onze” geheiligde normen en waarden, en aan de andere kant mensenrechten schendt. De politie is simpelweg het apparaat van de Staat dat erop toeziet dat “onze normen en waarden” worden nageleefd op straat én achter de voordeur: tot in de fijnste haarvaten van de samenleving. Om met de woorden van Frank B. Wilderson te eindigen: “I’m not against police brutality, I’m against the police.”

Je kunt hier luisteren naar het interview met Wilderson of download een transcriptie van het interview hier.