Author: Egbert Alejandro Martina

Queer action figure

Raciale Profilering

Onlangs heeft Groenlinks gepleit voor de invoering van “stopformulieren” als een middel tegen raciale profilering. Stopformulieren zijn formulieren waarop agenten die iemand staande houden moeten aangeven waarom ze hen staande houden. Volgens Groenlinks zullen “stopformulieren deze vorm van discriminatie [raciale profilering] effectief tegengaan.” Het klinkt zo gesteld inderdaad aannemelijk dat stopformulieren een “effectief” middel zijn tegen het bestrijden van “deze vorm van discriminatie.” Om dit te illustreren schrijft men dat voor het invoeren van stopformulieren in het Verenigd Koninkrijk “etnische minderheden eerst zeven keer vaker [werden] aangehouden,” en dat het sindsdien is “afgenomen tot vier keer.” Mijn vraag is: voor wie is dit een “succes”? Het lijkt alsof nu wordt gesuggereerd dat “wij” [mensen van kleur? Witte mensen?] een daling van zeven keer vaker tot vier keer vaker moeten zien als een “verbetering.” Of ik nu zeven keer vaker of vier keer vaker te maken heb met racistische handhavingspraktijken, ik blijf een verhoogde kans hebben: en het blijft racisme—ongeacht de “daling.”

Een probleem met dit soort statistische gegevens is dat het weinig zegt over het racialiseringsproces. De fictie dat er stabiele groepen mensen bestaan met “inherente eigenschappen” moet worden bevestigd alsof het DE waarheid is. Het is opvallend dat Groenlinks op haar website stelt dat agenten, “bewust of onbewust, uiterlijke kenmerken van mensen [combineren] met beelden over stereotype daders zonder dat daar concrete aanleiding toe is.” Het lijkt nu net alsof wanneer er een “concrete aanleiding” is het combineren van uiterlijke kenmerken met beelden over “stereotype daders” geoorloofd is… De vraag is: wie zijn die “stereotype daders”? Hoe wordt dat beeld van stereotype daders gecreëerd en in stand gehouden? Hoewel ik nu mijn pijlen richt op Groenlinks, de partij zelf is niet mijn doel. Het gaat mij om de manier waarop er wordt gepraat over raciale profilering en de “oplossingen” die worden aangedragen. Deze zijn symptomatisch van een ernstige analysefout die raciale profilering ziet als een van de norm afwijkend patroon.

Raciale profilering wordt neergezet als een netjes afgebakend probleem dat door stopformulieren kan worden verholpen. Raciale profilering moet echter in een breder context worden geplaatst. Raciale profilering oftewel racialisering is een wezenlijk onderdeel van het bestuursproces: het systematisch ontrechten van Zwarte mensen en mensen van kleur, witte autoriteit en machtstructuur bestendigen door middel van een wit ambtenarenstelsel, een wit politieapparaat en wetten, beleid, en verordeningen die door witte mensen zijn geschreven.  “We” moeten dan ook niet alleen hoe de politie invulling geeft aan “haar taak” kritisch analyseren, maar heel het bestuursproces ter discussie stellen. Groenlinks stelt verder dat “etnisch profileren een weinig effectieve manier [is] om misdaden op te sporen. Dus zonde van de politiecapaciteit.” Het is belangrijk om wat dieper in te gaan op de vorm die “misdaden opsporen” heeft aangenomen in een context waar efficiëntie, effectiviteit en “voorkomen is beter dan genezen” de toon zetten.

In een aantal steden (o.a. Rotterdam, Groningen en Zwolle)  is er een speciaal politieteam Antillianen; dat is een rechercheteam dat zich specifiek richt op het aanpakken van criminele Antillianen. Rotterdam introduceerde ook een speciale stadsmarinier voor Antillianen. De stadsmarinier is “een ambtenaar met extra bevoegdheden op het gebied van de openbare orde.” De stadsmarinier fungeert als “de ogen en oren van de gemeente.”  Handhaving en orde, misdaden en misstanden opsporen krijgen een steeds openlijker militaristisch karakter. Het is dan ook niet verwonderlijk dat op de functie van stadsmarinier in Capelle aan den IJssel “(voormalige) politieagenten, net afgestudeerde academici en ex-militairen met gevechtservaring” hebben gesolliciteerd. In Amsterdam heeft de politie samengewerkt met het leger waarbij politieagenten en militairen de bevolking indeelden “in groepen en identificeerden manieren waarop die te bereiken waren.” Dit alles werd gedaan met de steun van burgemeester Van der Laan die “een speciale ‘bijstandsaanvraag voor militaire steunverlening in het algemeen belang’” had goedgekeurd (hierover later meer). Dit is één van de vele manieren waarop niet alleen het politiewerk, maar ook het werk van de gemeente op het gebied van het verbeteren van de “leefbaarheid” en “veiligheid” militariseert. In hoeverre zullen stopformulieren tegen “deze vorm van discriminatie” werken?

Raciale profilering en het systematisch mikken op Zwarte mensen en mensen van kleur heeft een lange geschiedenis en moet in deze historische context worden geplaatst. Het is niet iets van “de laatste tijd,” en het is ook niet uit de lucht komen vallen. Al sinds de jaren 30 van de vorige eeuw ageren Zwarte mensen tegen raciale profilering. Ik citeer uit het Volksblad van 8 juni 1937:

“Onder de zwarte Nederlanders (Surinamers) heerst grote ontevredenheid over het werkverbod, afgekondigd door de Amsterdamse politie, waardoor aan deze zwarte bevolkingsgroep elke bestaansmogelijkheid ontnomen wordt. Aan deze bepaling wordt veel te weinig aandacht geschonken, want wat is nu meer ondenkbaar, dan een verbod voor Nederlanders om in Nederland te werken? Want dit verbod geldt niet alleen bepaalde personen, zoals de politie wil doen geloven, maar is het algemeen. Zo gaat de Amsterdamse politie systematisch voort met hen uit café-restaurantsbedrijf te verdrijven en het Nederlandse volk tegen ons op te hitsen.” (zie ook hier en hier)

De toenmalige hoofdcommissaris van de politie te Amsterdam verklaarde “dat deze negers, die er op uit zijn, geslachtelijken omgang met blanke meisjes te hebben, een maatschappelijk kwaad zijn, tegen wier aanwezigheid zoo krachtig mogelijk dient te worden opgetreden.”

Kit Kat 2.png

Vergelijk dit met uitspraken van voormalige wethouder Geluk van Leefbaar Rotterdam: “[Antilliaanse criminelen] moet het leven absoluut onmogelijk worden gemaakt. Net zoals we bij extremisten doen.” Volgens Geluk worden met name de Antillianen “steeds gewelddadiger en extremer, ook in hun seksualiteit.”

Allochtonenstop.png

Werkverboden, gebiedsverboden, samenscholingsverbonden, toegangsweigeringen, “antillianen-camera’s,” “Allochtonenstop,” staandehoudingen, 100% controle beleid op vluchten vanaf de Antillen, de Rotterdamwet, de Bosmanwet liggen allemaal in elkaars verlengde en zijn stuk voor stuk bedoeld om de toegang tot en daarmee de bewegingsvrijheid van personen van kleur in de “openbare” ruimte te reguleren. Er is een lange geschiedenis van het invoeren van wetten, verordeningen, en beleid die als doel hebben (gehad) het reguleren van de toegang tot Nederland (migratiewetgeving), de “publieke” ruimte (gebiedsverboden), of bepalen waar mensen van kleur wel of niet kunnen wonen (zoals het spreidingsbeleid). Het screenen van mensen is sinds de invoering van de Rotterdamwet alleen maar intenser geworden. Staandehoudingen zijn dus slechts een van de manieren waarop de politie/de Staat de bewegingsvrijheid (en daarmee het gedrag) van mensen (van kleur) probeert te reguleren.

Wanneer raciale profilering vanuit een breder perspectief wordt geanalyseerd dan kan er een gender-dimensie worden opgemerkt die anders “verborgen” zou blijven: raciale profilering volgt een gender-specifieke en patriarchale lijn die de kunstmatige scheiding publiek-privé bestendigt, waarbij de publieke ruimte wordt geassocieerd met mannelijkheid en de privé sfeer, huiselijke kring met vrouwelijkheid. De focus op mannen die staande gehouden worden in de “publieke” ruimte suggereert dat raciale profilering iets is waar voornamelijk of alleen maar mannen van kleur mee te maken hebben. Staandehoudingen en politiegeweld tegen Zwarte mannen en mannen van kleur krijgen meer aandacht omdat “deze vorm van discriminatie” in de “publieke” ruimte plaatsvindt. De nauwe focus op raciale profilering in de “publieke” ruimte maskeert het feit dat Zwarte vrouwen en vrouwen van kleur ook raciaal worden geprofileerd—hetzij in de privé sfeer (via “bemoeizorg”)  en dan voornamelijk als “slechte moeders” en/of alleenstaande moeders die criminaliteit in stand houden. Niet alleen Zwarte vrouwen en vrouwen van kleur zelf, maar ook hun reproductieve capaciteit wordt gecriminaliseerd (zie de uitspraak van PVV-kamerlid De Graaf die stelde dat “De Nederlandse eigenheid, identiteit en cultuur worden via immigratie en de baarmoeder om zeep geholpen,” of voormalige wethouder voor Leefbaar Rotterdam Van den Anker die pleitte voor gedwongen abortus bij “Antilliaanse tienermoeders.”)

In het beleidsprogramma Samen leven, samen werken van het kabinet Balkenende IV maakt politieagent Cor Louwers met de volgende citaat duidelijk dat er min of meer een directe samenhang is tussen wat er “op straat gebeurt” en de situatie “achter de voordeur”: “Sociale problemen ontstaan achter de voordeur. Wijkteams moeten zich dan ook meer richten op de persoonlijke omstandigheden van de mensen.”

Cor Louwers.png

Het “Achter de Voordeur” beleid is een beleidspraktijk waarmee de politie, om met de woorden van de nieuwe korpschef van de Nationale Politie Erik Akerboom te spreken, tot “in de haarvaten van de wijk” is doorgedrongen, en grip probeert te krijgen op sociale problemen. Inmenging in de persoonlijke omstandigheden van mensen wordt onder het mom van “preventief ingrijpen in wijken” gelegitimeerd. Huisbezoeken door interventieteams, bestaande uit de politie, medewerkers van projectbureau Veilig, de deelgemeente, Dienst Stedenbouw en Volkshuisvesting, Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn een vast onderdeel van dit beleid. Door middel van het huisbezoek probeert een interventieteam  “problemen bij mensen thuis in beeld te krijgen en hiervoor passende oplossingen te vinden die aansluiten bij de leefwereld van huishoudens.” De bezoeken die interventieteams brengen aan woningen en panden zijn onaangekondigd. Wanneer een interventieteam eenmaal binnen is, worden “de brandveiligheid, de papieren van bewoners, wie terecht dan wel onterecht een uitkering ontvangt en verder alles wat de teams aan problemen tegenkomen” gecontroleerd.

De politie heeft via het Achter de Voordeur-aanpak niet alleen toegang tot de leefruimte, maar ook tot de “sociale en emotionele wereld.” Deze beleidspraktijk sluit aan bij de visie van de politie: het “ont-anonimiseren van de burger en het identificeren van ‘kwaad’.” Het concentreren op “controle van de infrastructuur waarlangs mensen zich bewegen en waarlangs ook goederen, geld en informatie worden verplaatst” is een belangrijk proces daarbinnen. De wijken ingaan om “misdaad te bestrijden” is, volgens de politie, door de toegenomen mobiliteit van mensen niet meer efficiënt. “De controle door de politie zal hierdoor meer gericht zijn op mensen dan op delicten.” Deze herijkte visie dient in het licht van het project “PsyCops,” ook wel bekend onder de naam “Anders Kijken,” te worden geplaatst. Het project, dat in samenwerking met de Vrije Universiteit en Defensie is uitgevoerd, had als doel een “betere verbinding met de inwoners van de hoofdstad” te stimuleren en bij te dragen “aan een genuanceerdere kijk van politie op burgers.” Echter, in het rapport dat verscheen n.a.v. het project blijkt dat de politie en het leger zich voornamelijk hebben gericht op bepaalde typen burgers, namelijk “moskeebezoekende mannen tussen 25 en 40” en “allochtone ouders van jonge kinderen.” In het rapport kwamen “autochtone ouders nauwelijks ter sprake.”  Paul Mutsaers schrijft dat de hoofdcommissaris van de Amsterdamse politie tegenover hem verklaarde dat hij alles over hen te weten wil komen:

“Knowledge is power. So, for instance, I have a Moroccan target group. I want to know: where do their parents come from, exactly? Which specific areas? What kind of religion do they adhere to? Who has contact with whom?”

Wat hieruit blijkt, is dat niet iedereen wordt onderworpen aan dezelfde mate van toezicht en controle. Daarnaast is het onderscheid tussen “criminele” en “niet-criminele” mensen van kleur een flinterdun onderscheid: in de ogen van de politie is het gedrag van Zwarte mensen en mensen van kleur al gauw grensoverschrijdend. Zelfs “niets doen” kan dan voor “overlast” zorgen.

Kun jij duidelijk maken dat niets doen ook overlast kan geven.jpg

Mensen van kleur zijn vaak bij voorbaat verdacht—totdat het tegendeel bewezen is. In een artikel over institutioneel racisme en dwangopnames in de psychiatrie en gevangenissen citeert Froukje Bos Prof. dr. Frank Kortmann, psychiater en  hoogleraar  Transculturele  Psychiatrie, die stelt dat “binnen justitie en de GGZ wordt onbewust met twee maten gemeten: bij hetzelfde gedrag krijgen allochtonen vaker het label “crimineel” en autochtonen vaker het label “ziek.” Bij identieke ziekteverschijnselen worden allochtonen vaker als “gevaarlijk” bestempeld dan autochtonen […] Allochtonen worden bij hetzelfde gedrag: vaker aangehouden, krijgen minder vaak een waarschuwing, blijven langer in verzekerde bewaring, krijgen hogere straffen.”

Het gedrag en het innerlijk leven van jongeren van kleur wordt, zoals ook blijkt uit het onderzoek van Mieke Komen, vaak door “deskundigen” verkeerd geïnterpreteerd. Komen, verbonden aan de Universiteit van Utrecht, concludeerde in haar onderzoek dat witte gedragsdeskundigen die jongeren van kleur aan een persoonlijkheidsonderzoek onderwerpen hun gedrag vaker als negatief bestempelen, omdat forensisch psychologen, psychiaters en medewerkers van de Raad voor de Kinderbescherming “niet of onvoldoende [stilstaan] bij de verscheidenheid van culturen.” Als gevolg hiervan “verlopen gesprekken moeizaam en wordt allochtone verdachten in rapporten een gebrek aan échte spijt verweten of een gebrekkig geweten.” Niet alleen het gedrag van mensen van kleur wordt vaker als negatief ervaren dan het gedrag van witte Nederlanders; ook het moreel besef van mensen van kleur wordt als gebrekkig geïnterpreteerd. Het gedrag en het innerlijk leven van witte Nederlanders geldt nog altijd als norm. In 2012 publiceerde Motivaction een onderzoek waaruit “bleek” dat “jonge Turkse en Marokkaanse Nederlanders” meer en meer “op hun autochtone leeftijdsgenoten [zijn] gaan lijken.” Twee derde van de Turkse en Marokkaanse Nederlanders tussen de 20 en 35 jaar weet de  “‘oude’ en ‘nieuwe’ waarden” te combineren. De vraag natuurlijk is: voor wie is dit gegeven interessant?

 Het ont-anonimiseren van de burger, het monitoren en analyseren van het gedrag en het innerlijk leven van mensen (van kleur), het vergelijken van Nederlanders van kleur met witte Nederlanders heeft natuurlijk als doel om vroegtijdig risicopersonen en deviant gedrag te signaleren en te corrigeren. Doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg. We leven nu in een wereld waar sociale media het nieuwe DNA wordt genoemd. Online rechercheren in sociale media wordt steeds vaker gebruikt. De politie maakt ook steeds meer gebruik van data mining, data analytics bij de sturing van  het politiewerk. De Amsterdamse politie heeft het Criminaliteits Anticipatie Systeem ontwikkeld waarmee zij misdaadrisico’s kan voorspellen “op grond van grote hoeveelheden data die aan elkaar worden gekoppeld.” Het kunnen voorspellen van en het anticiperen op risico’s/criminaliteit door middel van een computermodel maakt, volgens de voormalige minister van Veiligheid en Justitie, “een directere (sturing op de) inzet van de politiecapaciteit mogelijk, waardoor efficiëntie en in het bijzonder effectiviteit van de inzet wordt vergroot.”

 Deze vorm van politiewerk, ook wel predictive policing genoemd, is iets dat overgewaaid is uit de V.S.; “innovatieve” handhavingstactieken uit andere landen worden vaak overgenomen door de Nederlandse politie. In De politie van de toekomst houdt iedere burger non-stop in de gaten, een artikel over predictive policing, stelt Marc Schuilenburg, universitair docent strafrecht en criminologie aan de Vrije Universiteit, dat “voorspellend politiewerk” de aard van het Nederlands strafrecht verandert. Schuilenburg beargumenteert dat predictive policing “niet de concrete handeling, maar het innerlijk leven van een burger strafbaar” stelt. Hij vervolgt: “Je zou kunnen zeggen dat daarmee het klassieke daadstrafrecht langzaam maar zeker verandert in een intentiestrafrecht: de intentie om iets crimineels te doen is strafbaar, in plaats van de handeling zelf.” Anne Schepers concludeert dat het gevaar dreigt “dat de politie daarmee een soort psychiater wordt.” De politie houdt zich echter niet alleen bezig met gedragsvoorspelling maar ook met gedragsbeïnvloeding—getuige het project “PsyCops.” Uit het rapport over PsyCops blijkt dat de politie vindt dat “vooral op het gebied van gedragsbeïnvloeding […] de militaire methode een toevoeging” is. Ondanks het feit dat het project “PsyCops,” het inzetten van “flex camera’s” om “overlast-veroorzakende Antillianen en Afrikanen beter in beeld te krijgen,” en speciale rechercheteams voor Antillianen duidelijk maken dat de politie met name Zwarte mensen en mensen van kleur in de gaten houden, wordt er in het artikel van Anne Schepers met geen woord hierover gerept. Het artikel van Schepers geeft de indruk dat de predictive policing totaal geen raciale dimensie heeft.  In “de toekomst” zal de politie wellicht iedere burger in de gaten houden, maar bepaalde burgers zullen meer in de gaten gehouden worden dan anderen.

 In een recentelijk verschenen artikel van Marc Schuilenburg wordt die raciale dimensie wel expliciet besproken. Schuilenburg stelt dat predictive policing “vooral burgers van andere afkomst of met donkere huidskleur hebben” benadeeld. Uit een onderzoek uit de V.S. blijkt dat “zwarte burgers ten onrechte twee keer zo vaak als toekomstige criminelen uit het politiesysteem rollen dan blanke personen.” Schuilenburg wijst er nogmaals op dat door predictive policing “de neiging van de politie groter [wordt] om het gedrag van burgers te psychologiseren.” Het is uitermate opvallend dat Schuilenburg niet verwijst naar het project “PsyCops”—de universiteit waar hij verbonden aan is, heeft nota bene bijgedragen aan dat project.

 Het beeld dat naar voren komt wanneer we deze zaken naast elkaar zetten is dat het opdelen van de bevolking in “bepaalde groepen” om hen beter in de gaten te kunnen houden, het screenen van mensen, het analyseren van gedrag om beter inzicht te krijgen belangrijke onderdelen zijn van het politiewerk: orde en handhaving. Raciale profilering wordt vaak gereduceerd tot iets waar “een paar rotte appels” zich schuldig aan maken. Het is juist het tegendeel: het speelt een essentiële rol in het politiewerk. Raciale profilering is ook meer dan alleen staandehoudingen. In een interview met Thijs Jansen (van Stichting Beroepseer) over goed politiewerk, vertrouwen en de cruciale intermenselijke relaties met de burger geeft Jaco van Hoorn (hoofd operatiën en plaatsvervangend politiechef bij de Nationale politie voor de eenheid Zeeland West Brabant) aan dat politiewerk meer is dan wat “de politie feitelijk doet.” Van Hoorn stelt dat “politiewerk ook een symbolische betekenis heeft.” Politiewerk is in zijn ogen “een soort moreel herstel,” hiermee bedoelt hij dat de politie “keer op keer de norm” bevestigt. Van Hoorn concludeert “dat wij als politie niet alleen de rechtsorde handhaven maar vooral ook de morele orde van een samenleving.” De politie is volgens hem op macroniveau “een soort ordenende, stabiliserende factor in de samenleving.”

 GroenLinks pleit tegen raciale profilering en tegelijkertijd voor het versterken van het (moreel?) gezag van de politie. De partij wil “dat de politie vaker en meer zichtbaar op straat aanwezig is […] om snel en effectief op te treden tegen misdaad en om burgers veiligheid te bieden.” De vraag is: wie voelt zich veiliger door “meer blauw op straat”? Mensen van kleur worden sowieso extra in de gaten gehouden. Ook vindt de partij dat “mensen zich door de politie vertegenwoordigd moeten voelen,” en daarom wil Groenlinks “dat er meer vrouwelijke en allochtone agenten in dienst komen.” Maar een “divers” politieapparaat zal bar weinig verandering aanbrengen in de symbolische betekenis van het politiewerk zelf—werk dat als “een soort moreel herstel” wordt gezien. Elke aanklacht tegen de politie zal dan al snel worden geïnterpreteerd als een aanklacht tegen de “morele orde.” En de vraag is of de wij, die de heersende “morele orde” omarmen, warm zullen lopen voor #abolishthepolice. Ondanks dat Groenlinks en de politie “ons” anders willen doen geloven is de politie in wezen de repressieve witte heteropatriarchale pinkwashing arm van de Staat—een per definitie racistische constructie. Dezelfde Staat die aan de ene kant claimt tegen racisme te zijn, en aan de andere kant racistisch beleid implementeert. Dezelfde Staat die zich opwerpt als beschermer van “onze” geheiligde normen en waarden, en aan de andere kant mensenrechten schendt. De politie is simpelweg het apparaat van de Staat dat erop toeziet dat “onze normen en waarden” worden nageleefd op straat én achter de voordeur: tot in de fijnste haarvaten van de samenleving. Om met de woorden van Frank B. Wilderson te eindigen: “I’m not against police brutality, I’m against the police.”

Je kunt hier luisteren naar het interview met Wilderson of download een transcriptie van het interview hier.

Diversiteit en de Witheid van De Correspondent

Diversiteit is (weer) en vogue. De Correspondent heeft onlangs een mea culpa-schuine streep-oproep tot sollicitatie geplaatst op hun website waarin ze toegeven dat zij “het belang van diversiteit te lang [hebben] onderschat.” De redactie is nu op zoek naar “diversiteit.” Karel Smouter, adjunct-hoofdredacteur Migratie, Religie & Mensenrechten (dus je kunt ervan uitgaan dat hij van wanten weet), onderstreept het belang van diversiteit op een manier die appelleert aan redelijkheid. Hij haalt percentages aan, en bezigt generieke uitdrukkingen zoals “betere afspiegeling van de samenleving.”

Het wrange is dat het streven naar een “betere afspiegeling van de samenleving” niet automatisch leidt naar een bevraging en ontmanteling van Witheid als machtsstructuur. Misschien is dat ook wel de bedoeling. Vertegenwoordiging zonder politisering. Een diverse redactie (of een diversiteitbeleid) vertaalt ook niet direct naar een “veilige” werkomgeving voor Nederlanders van kleur en/of een kritischer redactie. Net zo min als een diverse politieapparaat leidt tot minder gevallen van raciale profilering. “Kleur” staat niet gelijk aan “kritisch.” Zie de Braboneger. Er zijn genoeg Nederlanders van kleur die een neoliberale burgerschap, of anti-Zwartheid, expliciet, of impliciet, omarmen. Er zijn zat Nederlanders van kleur die verlangen naar inclusiviteit binnen een natiestaat die zij ongemoeid laten; zij willen de natiestaat beter maken en net zoals “andere Nederlanders” behandeld worden.

Witheid is niet alleen een kwestie van huidskleur. Tijdens het Nederlands kolonialisme in Indonesië werden Japanners gecategoriseerd als “Wit” in tegenstelling tot andere Aziaten. Het significante aan Witheid is dat het niet alleen gaat om institutionele processen, zoals kennissystemen, maar ook om gedragingen; het is een continue proces dat de wereld op een bepaalde wijze wil ordenen. Witheid is met andere woorden een ​​cultureel, sociaal, en politiek systeem dat wordt geproduceerd en gereproduceerd op een institutioneel en individueel niveau. Het betreft dus enerzijds processen op het alledaags niveau (b.v. werving en selectie binnen instituten), en anderzijds processen op een conceptueel niveau (b.v. kennis—wat geldt als kennis en wie gelden als legitieme kennisproducenten—en hoe er invulling wordt gegeven aan het concept “mensheid,” een concept dat zijn oorsprong heeft in De Verlichting). Omdat Witheid een proces is, moeten we opmerkzaam zijn op hoe individuen en instituten het idee Wit-als-normatief verschonen en rehabiliteren.

Diversiteit kan worden gebruikt als een middel om de gevestigde orde—met andere woorden Witheid—“beter te maken.” Diversiteit als meerwaarde veronderstelt dat “verschil” iets is dat mensen die afwijken van de heersende norm (zowel letterlijk als figuurlijk) belichamen en toe kunnen voegen aan de gevestigde orde om het “eerlijker” te maken. De waarde die aan een verschil, zoals huidskleur, wordt toegedicht, is niet willekeurig, maar gepolitiseerd en historisch bepaald. Binnen de context van “diversiteit als meerwaarde” worden gepolitiseerde verschillen gereduceerd tot economisch rendabele eigenschappen die goed zijn voor business. Argumenten voor diversiteit komen dan ook bijna altijd neer op “diversiteit is goed voor de zaken, want het leidt tot meer creativiteit.” De gevestigde orde kan van de voordelen van verschillen genieten door deze in te lijven—zonder dat er structurele veranderingen plaats hoeven te vinden. Het is een win-win situatie voor alle partijen: in dit geval wordt De Correspondent “beter” en helpt het Nederlanders van kleur aan een baan.

Diversiteit is dan slechts een technocratisch middel om negatieve effecten tegen te gaan, en het werk van De Correspondent “legitiem te maken.” Het diversiteitbeleid is, zoals Sara Ahmed opmerkt in The language of diversity, een neoliberale techniek van bestuur en management waarmee gepolitiseerde verschillen en historisch contingente processen kunnen worden gedepolitiseerd. Het is geen wonder dat diversiteit is verworden tot een oproep om meer “kleur,” meer mensen met verschillende “culturele achtergronden en perspectieven”—allemaal met het oog op het leveren van “betere” diensten/service. Echter, door diversiteit te reduceren tot “meer kleur” wordt diversiteit losgekoppeld van een zeer lange geschiedenis van strijd, gevoerd door Nederlanders van kleur uit de “voormalige” Nederlandse koloniën, tegen de normen en processen van Witheid.

Het diversiteitbeleid is in essentie het managen van verschil, en percentages zijn bij uitstek het middel om een quotum te bepalen. Eerder bestempelde ik de uitdrukking “een betere afspiegeling van de samenleving” als generiek omdat het machtsverhoudingen maskeert; deze uitdrukking is nietszeggend binnen de context van diversiteit omdat het de samenleving an sich niet problematiseert, terwijl een term als “diversiteit,” zeker wanneer men het plaatst binnen een historische en politieke context (migratiebeleid, asielbeleid, racisme op het arbeidsmarkt, racisme in het onderwijssysteem, het koloniaal verleden), dat wel doet. Het is goed om even stil te staan bij de 12% en 35% die worden aangehaald. Wat te doen als het aantal redacteuren van kleur de grens van 12 (of 35) % passeert? Tegenover diversiteit staat er ook zoiets als “te veel diversiteit.” Een “overschot” aan diversiteit kan “lastig of zelfs gevaarlijk zijn,” of het “kan meerwaarde ook in de weg staan.” Te veel van het goede is ook niet goed

Het is niet vreemd dat diversiteit vaak in ecologische termen wordt uitgedrukt. De Correspondent wil dan ook “een klimaat [scheppen] waar diversiteit goed gedijt.” Er is nu te veel van het één (Wit), en nu moet er wat van het ander erbij (kleur). In dit licht wordt diversiteit, verwoord als “meer kleur,” gezien als een “ecologische correctie.” Het accent is dus nu op een gedepolitiseerde diversiteit komen te liggen—in plaats van de verschillende vormen van kennisproductie die Witheid normaliseren en bestendigen. De Correspondent wil blijkbaar niet een klimaat scheppen waar het analyseren en ontmantelen van Witheid voorop staat. Mijns inziens lijkt het alsof diversiteit wordt ingezet als een “racismeverzekering,” een verzekering die schade aan de reputatie—in geval van beschuldigingen van racisme—minimaliseert of wellicht geheel voorkomt. Ik vermoed dat de racistische faux-pas die het NRC heeft begaan fungeert als een “cautionary tale.” De Correspondent heeft op een opportuun moment het licht gezien.

Tot slot: Witheid is niet het overkoepelend kader dat diversiteit begrijpelijk maakt. Een redactie bestaande uit alleen Antilliaanse, Surinaamse, Marokkaanse, Turkse, Afghaanse, Somalische, Chinese, Nigeriaanse, Braziliaanse, Colombiaanse, Chileense, Vietnamese, Ghanese Nederlanders—dus zonder koloniale Nederlanders—is weliswaar niet een “afspiegeling van de samenleving,” maar het is wel divers. Koloniale Nederlander is mijn suggestie voor het stijlboek van De Correspondent, aangezien er niet staat aangegeven hoe (voormalige) autochtonen, oftewel “gewone” Nederlanders, voortaan te boek zullen staan. Een gepolitiseerde diversiteit komt niet neer op “voeg kleur toe en roer het geheel glad.”

Learn it, and learn it well.

Archief

Aangezien er te pas en te onpas wordt geroepen dat racisme (of, in zachtere termen uitgedrukt, discriminatie/uitsluiting) “de laatste jaren dramatisch [is] toegenomen,” vond ik het de hoogste tijd om een archief te maken, bestaande uit krantenartikelen, boeken, posters en andere ‘vluchtige’ media, over racisme en andere vormen van onderdrukking in Nederland en de acties daartegen. Racisme is nooit “minder” geweest en het is belachelijk te stellen dat het “steeds erger wordt.” Ik weet eerlijk gezegd nog steeds niet wat dat betekent. Wat hebben Zwarte mensen en niet-Zwarte mensen van kleur aan trappen van vergelijking in een context van structureel racisme? In een context waar racisme onlosmakelijk verbonden is met het kapitalistisch systeem en het patriarchaat? Dat er nu “openlijk” over racisme wordt gesproken, kan men het gevoel geven dat racisme nu “erger” is, maar dat is alleen maar schijn… Ik wacht nog steeds op iemand die mij kan vertellen op welk moment in het nabije verleden (ik houd ‘t simpel) Zwarte mensen het “beter” hadden dan voor “de dramatische opkomst van het racisme” anno nu. Maar goed.

Degenen die geïnteresseerd zijn in het archief (dat nog groeiende is) kunnen een kijkje nemen op http://discontentjournal.tumblr.com/

De artikelen die daar geplaatst zijn, heb ik via http://www.delpher.nl/ gevonden en de posters via http://geheugenvannederland.nl/.

Neem zelf ook een kijkje in de archieven van delpher en het geheugen van Nederland.

Wat is ‘Afro-pessimisme’?

Het begrip ‘afro-pessimisme’ kan verwarrend zijn. Daarnaast is er weinig literatuur over ‘afro-pessimisme’ geschreven voor mensen die er niks van afweten. Heel kort gezegd, theoretiseert afro-pessimisme Zwartheid niet als een culturele identiteit, maar als een positie van accumulatie en fungibiliteit (verwisselbaarheid); als conditie van—of relatie tot—ontologische dood. Ontologische dood is “‘world collapse’ or the loss of what gives meaning to one’s world.”

Een van de basisvragen waarmee afro-pessimisme zich bezig houdt, is: in welk opzicht zullen de politieke belangen van kritische analyses en de esthetiek veranderen als we de structurele relatie tussen de Zwarte en de Mensheid theoretiseren als een antagonisme (een onverenigbare tegenstelling) in plaats van een conflict? Om dit uitgangspunt kracht bij te zetten, verwijzen de theoretici van anti-zwartheid kritisch naar de gelijktijdige verschijning van de Zwarte en de Mens in het Westers denken. Daaruit blijkt dat het bestaan van de Zwarte als eeuwige slaaf de belangrijkste voorwaarde is die het ontstaan van de categorie Mens, als vrij subject, mogelijk heeft gemaakt.

Afro-pessimisme theoretiseert anti-zwartheid als een van de centrale voorwaarden die de moderne wereld stelt. Anti-zwartheid beschrijft eigenlijk de onderliggende reden voor de structurele uitsluiting van De Zwarte: om als anti-Mens te dienen. ‘De Zwarte’ representeert, op het niveau van de ontologie—dus het niveau van het Zijn—al hetgeen dat ‘de Mens’ niet is. Het begrip ‘Mens’ is vanuit het standpunt van Witte, cisgender, mannelijke filosofen gedefinieerd. De ‘Mens’ werd expliciet gedefinieerd in tegenstelling tot de fundamentele positie van de tot slaaf gemaakte. De slaaf werd daardoor gezien als anti-Mens.

De geschiedenis van het tot slaaf maken van Afrikanen en de trans-Atlantische slavernij moeten niet worden opgevat als ‘alleen maar’ een reeks brutale, dehumaniserende historische momenten. Deze geschiedenis heeft veel diepgaande consequenties; de manieren waarop de Europeanen en Witte Amerikanen het ontmenselijken van Afrikanen ‘begrijpelijk maakten’, oftewel legitimeerden, werden gestaafd door de Westerse kennisproductie. De trans-Atlantische slavernij en het tot slaaf maken van Afrikanen hebben dus een heel kennissysteem en moraliteit voortgebracht dat nog steeds het huidig denken informeert.

Voor de trans-Atlantische slavernij, bijvoorbeeld, bestond het idee van een raciale Zwartheid niet, noch bestond er een universeel concept van ‘de Mens’. Raciale Zwartheid kreeg, onder invloed van het Verlichtingsdenken en de trans-Atlantische slavernij, een eenduidige betekenis. De structurele verhoudingen die antizwarte slavernij heeft gecreëerd spelen dus nu nog steeds een belangrijke rol. Afro-pessimisten kijken daardoor met een kritisch oog naar concepten zoals ‘Mens’, ‘Vrijheid’ en ‘Moderniteit’, de sleutelbegrippen in het Westers denken.

Afro-pessimisme focust op de gewelddadige vormen van uitsluiting die ten grondslag liggen aan deze sleutelbegrippen; geweld houdt deze begrippen nu nog steeds in stand (zie: bijv. het grensbeleid van de EU). Dit geweld is belangrijk voor de zelfdefinitie van de ‘Witte persoon’, die historisch gezien de universele status van Mens genoot, en nog steeds geniet. Vanwege de zeer antagonistische karakter van de geschiedenis van het geweld dat gepaard ging met de trans-Atlantische slavernij, zijn alle huidige gebieden van kennisproductie gecommitteerd aan een krachtig ontkenning van het feit dat het Westers denken antizwart is. De moderne wereld kan niet bestaan zonder anti-zwartheid. Met andere woorden, anti-zwartheid is een structureel noodzakelijkheid. De wereld is antizwart.

Afro-pessimisten beargumenteren dat mensen die als Zwart zijn geclassificeerd worden onderworpen aan structureel institutioneel geweld zonder aanleiding, dat wil zeggen zonder dat zij een overtreding hebben begaan—hoe de wereld op dit moment ingericht is, vereist hun uitsluiting. In essentie, beargumenteren zij dat de burgermaatschappij parasiteert op het geweld dat gepaard ging met de Middenpassage. Wat wordt er nu precies bedoeld met de stelling ‘dat de burgermaatschappij parasiteert op het geweld dat gepaard ging met de Middenpassage’?

De werkwijzen en interne werking van het maatschappelijk middenveld borduren voort op dezelfde structurele verhouding die werd ingevoerd tijdens de trans-Atlantische slavernij. Na de afschaffing van de slavernij heeft Nederland, bijvoorbeeld, net als de V.S., slechts kleine aanpassingen gemaakt—de tot slaaf gemaakten gingen van een situatie van privaat meesterschap naar een situatie van staatstoezicht. Daarmee werd de centrale plek die Zwarte gevangenschap in neemt in het waarborgen van de stabiliteit en samenhang van het maatschappelijk middenveld niet ondermijnd, of ontmanteld. Wat Afro-pessimisten betogen is dat ondanks het feit dat repressiemiddelen veranderen (de plantage werd vervangen door de gevangenis, bijvoorbeeld), de onderliggende structuur van onderdrukking verandert zelf niet.

Is anti-zwartheid een soort van racisme onder vele? Is het dé oervorm van racisme? Of verwijst het naar iets dat dieper gaat dan racisme? Anti-zwartheid verwijst, moeilijk gezegd, naar de structurerende (ir)rationaliteit van de moderniteit, de dominante politieke economie (de manier waarop natuurlijke hulpbronnen, kapitaal en grondstoffen worden verdeeld tussen individuen, groepen, naties, etc.) en de libidineuze economie. Jared Sexton definieert de libidineuze economie als,

“De economie, of de distributie en ordening, van verlangens [begeerten] en manieren van identificeren (hun verdichting en verschuiving), en de complexe relatie tussen seksualiteit en het onbewuste.”

Heel simpel gezegd, anti-zwartheid verwijst naar de inrichting en ordening van de wereld onder invloed van imperialisme en het Westers denken; een wereld waarin zwart en Zwart zijn gekoppeld zijn aan een reeks negatieve betekenissen en associaties; een wereld waarin ‘Wit’ wordt gewaardeerd en ‘Zwart’ wordt gedenigreerd. Waar rijkdom wordt geassocieerd met ‘Wit’, en armoede met ‘Zwart’. Waar onschuld ‘Wit’ is, en zonde ‘Zwart’.

Anti-zwartheid verwijst dus naar de energie of met andere woorden de acties, ideeën, manieren van kennisproductie, die nodig zijn om ‘Mensheid als structuur’ in stand te houden. Dit gaat verder en dieper dan opvattingen over racisme die racisme definiëren als ‘discriminerend gedrag op basis van ras’. Aangezien Zwartheid en Mensheid ontologische structuren zijn (ze verwijzen naar het Zijn), is er geen manier om de wereld van racisme te ontdoen, tenzij de wereld zoals wij die kennen ophoudt met bestaan (zie ontologische dood). Een wereld zonder ras, of om precies te zijn een wereld zonder Zwartheid, is vooralsnog werkelijk onvoorstelbaar.

Anti-zwartheid is in dat opzicht niet alleen geweld, of dit geweld nu fysiek, discursief of anderszins is, tegen mensen die als Zwart worden gekenmerkt. Anti-zwartheid is eerder het geweld dat het begrip ‘ras’ en de wereld zoals wij die kennen inhoudelijk samenhangend maakt—en daarmee ‘wezens met gevoel’ buiten het domein van de Mens plaats. Anti-zwartheid verwijst daarmee in wezen naar het proces van dehumaniseren, van ontmenselijking.

De inzicht van het poststructuralisme zijn op dit punt belangrijk. In tegenstelling tot het structuralisme, dat betoogt dat sociale structuren intern volledig en samenhangend zijn, beargumenteert het poststructuralisme dat wat deze structuren kenmerkt is hun onvolledigheid. Simpel gezegd, wat belangrijk is, is niet wat een structuur insluit, maar wat het uitsluit.

Hoewel anti-zwartheid, als theoretische lens, een relatief jong begrip is in de academie, komt anti-zwartheid impliciet (of expliciet) voor in de kritische reflecties van bepaalde theoretici op raciale Zwartheid en op de Westerse kritische traditie. Anti-zwartheid is een centraal begrip in het werk van de volgende theoretici;

Hun werk wordt geschaard onder Afro-pessimisme. Deze theoretici van anti-zwartheid treden selectief, dat wil zeggen met een kritische blik, in gesprek met de Westerse kritische tradities. Hun analyses zijn voornamelijk gestoeld op de werken van W.E.B. Du Bois, en Frantz Fanon.

De inzichten die de theoretische lens van anti-zwartheid geven, bieden ons de mogelijkheid om kritisch naar veelgeprezen politieke begrippen te kijken: wat betekent het om Mens te zijn? Wat betekent het om Vrij te zijn? Is democratie wel de beste staatsvorm? Deze vragen banen de weg naar een deconstructie van de Mens, Vrijheid, en Democratie. De inzichten die anti-zwartheid als analytische lens levert, zijn verreikend omdat ze ons begrip van machtsverhoudingen herschikken—op een manier die intuïtief voortvloeit uit veel van de centrale inzichten die het Zwarte feminisme en Afro-Amerikaanse studies ons heeft gebracht.

Afro-pessimisten nemen niet White supremacy, oftewel Witte suprematie, als uitgangspunt, maar anti-zwartheid. Met andere woorden, niet de Wit/niet-Wit tweedeling vormt de basis van hun kritisch kader, maar de tweedeling Zwart/niet-Zwart. Afro-pessimisten proberen de sociaal-maatschappelijke en psychische effecten van deze structurele relatie in kaart te brengen; daarbij zien zij Zwarte cultuur als een interventie op deze structurele relatie.

Instrumenten van Mystificatie

Sandew Hira heeft onlangs gesteld in een stuk met als titel “Homobevrijding als instrument van racisme” dat de “discussie” die nu gaande is in de “anti-racisme beweging” met name gaat over “of opvattingen over homobevrijding een breekpunt [zouden] moeten zijn in de samenwerking tussen anti-racisme organisaties.” Hira houdt vervolgens een betoog, waarin hij de verhouding tussen homobevrijding en anti-racisme—alsof deze twee zaken volkomen los staan van elkaar—uitvoerig bespreekt.

Voordat ik in ga op zijn analyse, wil ik voorop stellen dat hetgeen Sandew Hira stelt pertinent niet waar is: de aanleiding van de zogenoemde discussie is seksisme en homofobie in de anti-racisme beweging en niet de homobevrijding, of homo-emancipatie. De kritiek op de anti-racisme beweging is afkomstig van Zwarte vrouwen/queers—die gemarginaliseerd worden in de anti-racisme beweging. Door dit gegeven een minder centrale plek te geven en de “homobevrijding” aan te dragen als mogelijk breekpunt manipuleert Sandew Hira willens en wetens het onderwerp en het kader van de zogenoemde discussie.

Hira begint zijn relaas “met de wijze waarop homobevrijding door extreem-rechts wordt gebruikt om racisme te bevorderen,” waarmee Hira een conceptuele en significante fout maakt, wat op zijn minst slordig en op zijn ergst demagogisch is. Jasbir K. Puar en queers of colour in Europa, onder wie Jin Haritaworn en Fatima El-Tayeb, hebben reeds uitvoerig uiteengezet hoe de homo-RECHTEN-beweging racisme bevordert. Daarnaast heb ik zelf verscheidene stukken geschreven waarin ik dit probleem aankaart (zie hier en hier). Jasbir K. Puar heeft dit proces “homonationalism” genoemd. Homonationalism refereert aan het feit dat homorechten ingezet worden voor racistisch en Islamofobe doeleinden. Puar schrijft: “The narrative of progress for gay rights is thus built on the back of racialized others, for whom such progress was once achieved, but is now backsliding or has yet to arrive.”

In de introductie van een speciale sectie—getiteld women’s rights, gay rights and anti-Muslim racism in Europe—verschenen in de European Journal of Women’s Studies schrijft Haritaworn:

“Besides documenting the patronizing treatment of women and queers racialized as Muslim, the doubtful invention of new traditions and core values of women-and-gay-friendliness, the willingness by some feminist, gay and increasingly also transgender (see Haritaworn, 2011) activists and opinion makers to loyally repeat the nation (Haritaworn 2008), and the new conditions of alliance between feminists and gay men, the articles that follow ask important questions about the bigger picture.”

Homobevrijding en de homorechtenbeweging zijn twee aparte zaken die slechts zijdelings met elkaar te maken hebben. Door homobevrijding samen te smelten met homonationalism en dit amalgaam als uitgangspunt te nemen, verbloemt Sandew Hira het feit dat Zwarte queers en queers of colour, zoals trans*women of colour Marsha P. Johnson en Sylvia Rivera, sleutelfiguren waren in de Stonewall Riots eind jaren 60s, het begin van de homobevrijding. Hira gebruikt graag The Black Power Movement aan om zijn betogen kracht bij te zetten, en hij vergeet net zo graag te vermelden dat The Black Panther Party nauw heeft samengewerkt met The Gay Liberation Front. Huey P. Newton zei ooit,

“We have not said much about the homosexual at all, but we must relate to the homosexual movement because it is a real thing. And I know through reading, and through my life experience and observations that homosexuals are not given freedom and liberty by anyone in the society. They might be the most oppressed people in the society.”

In zijn betoog stelt Hira dat de discussie over homofobie en racisme niet is “aangekaart vanuit de optiek dat de homobeweging een racistische stroming heeft,” maar het aankaarten vanuit die optiek, hoewel niet onbelangrijk, is geheel niet relevant voor deze genoemde discussie: de huidige kritiek op de anti-racisme beweging komt van Zwarte vrouwen/queers, zoals ik al eerder heb vermeld.

Hira beargumenteert dat het onmogelijk is voor mensen in de anti-racisme beweging om queers te onderdrukken. Hira vermeldt dat het,

“onzinnig [is] om te stellen dat Umar Johnson of de mensen in de Zwarte Piet beweging over zulke machtsinstrumenten beschikken. Dus is het helemaal niet aan de orde dat zij de vrijheid van homo’s bedreigen. Het is ook niet eerlijk te doen alsof ze macht die [sic.] wel hebben.”

Sandew Hira laat klaarblijkelijk zien dat hij weinig weet heeft van wat homofobie nu daadwerkelijk is. Homofobie is de angst voor en haat jegens homoseksualiteit en homoseksuele mensen. Het kenmerkt zich door vooroordelen gericht op homo’s, lesbiennes, biseksuelen, en trans*personen. Of zoals Wikipedia schrijft,

“Homophobia encompasses a range of negative attitudes and feelings toward homosexuality or people who are identified or perceived as being lesbian, gay, bisexual or transgender (LGBT). It can be expressed as antipathy, contempt, prejudice, aversion, or hatred, may be based on irrational fear, and is sometimes related to religious beliefs.”

Het feit dat Hira betoogt dat de Zwarte mensen in de anti-racisme beweging niet homofoob kunnen zijn omdat zij niet beschikken over de machtsinstrumenten is een flagrante verdraaiing en onjuiste toepassing van het degelijk argument dat Black en non-Black people of colour niet racistisch kunnen zijn omdat zij niet beschikken over de machtsinstrumenten om hun vooroordelen systematisch en structureel te implementeren. De wereld is heteroseksistisch; heteroseksualiteit is de norm. Het feit dat Zwarte heteroseksuele relaties worden gepathologiseerd in het discours van Witte suprematie (zie) neemt niet weg dat heteroseksualiteit als de gewenste norm door/voor Zwarte mensen in Nederland (en homofobe/trans*fobe sentimenten) wel wordt (worden) gepredikt (zie “Vader Moet Vader Zijn, Geen Tweede Moeder” mede geschreven door Glenn Helberg).

Zwarte queer vrouwen en mannen, onder wie Cheryl Clarke, Barbara Smith, Marlon T. Riggs, en Essex Hemphill, hebben beargumenteerd dat de strijd tegen seksisme en homofobie in de Zwarte gemeenschap essentieel is. In “The Failure to Transform: Homophobia in the Black Community” schrijft Cheryl Clarke,

“The more homophobic we are as a people, the further removed we are from any kind of revolution. Not only must black lesbians and gay men be committed to destroying homophobia, but ALL black people must be committed to working out and rooting out homophobia in the black community. We begin to eliminate homophobia by engaging in dialogue with the advocates of gay and lesbian liberation, educating ourselves about gay and lesbian politics, confronting and correcting homophobic attitudes, and understanding how these attitudes prevent the liberation of the total community.”

Clarke vervolgt,

“we cannot rationalize the disease [sic.] of homophobia among black people as the white man’s fault, for to do so is to absolve ourselves of our responsibility to transform ourselves.”

Hira’s analyse – en ik ben nu uitermate genereus – is verre van intersectioneel en hij laat op cruciale punten steken vallen. Niet alleen homofobie, maar ook racisme wordt gereduceerd tot een “mening.” Hira schrijft,

“Racisme is een machtstructuur én mening, een ideologie, waarmee machtsverhoudingen worden gerationaliseerd. Zonder die ideologie, die mening, kan de machtstructuur niet bestaan.”

In zijn definitie van racisme schuift Hira machtstructuur, mening, en ideologie ineen, wat niet alleen onachtzaam is, maar ook uiterst kwalijk. Racisme is een systeem, dat op macro en micro niveau in stand wordt gehouden door middel van Witte suprematie en anti-Zwart sentimenten. Je kunt racisme in stand houden ongeacht het feit of je nu bewust of onbewust of semi-bewust een racistische mening uitdraagt. Charles Mills schrijft dat,

“Once certain socioeconomic structures are established, questions of intent and the conscious aim to discriminate become less important than their internal dynamic. The system of accumulated, entrenched privilege can reproduce itself through motivation that is simply self-and group-interested, that does not want to lose access to differential opportunities, that does not want to probe too deeply into the past (or the present, for that matter). Whites do not have to be racist to want to keep their privileges (though racism, as a rationalization, may make it morally easier); they just have to be human.”

Door homofobie en racisme te reduceren tot “meningen waar je over kunt verschillen” waadt Hira zich in gevaarlijke relativistische wateren waar alle meningen gelijk zijn, en waar gemarginaliseerde groepen hun waardigheid moeten beargumenteren. Ik heb geen problemen om met mensen in discussie te gaan met wie ik van (geïnformeerde) mening verschil. Het punt is ook niet dat ik niet met homofobe Zwarte mensen in discussie wil gaan. Door te suggereren dat Zwarte queers die discussie niet willen aangaan plaatst Hira ons uit de context van onze cultuur: ik ben vaak genoeg die discussie direct of indirect aangegaan, en doe het nog steeds. Het kan ook niet anders.

Ik wil echter niet in discussie gaan met mensen die pretenderen “het beter te weten,” zoals Sandew Hira, en de systematische onderdrukking van queers zien als “een mening waar je over kunt verschillen,” of racisme als zodanig zien. Wat mij het meest tegenstaat is de paternalistische en laatdunkende houding van Hira jegens Zwarte vrouwen/queers. Hira heeft nogal wat lef om tegen Zwarte queers te zeggen dat de Zwarte gemeenschap niet over de machtsinstrumenten beschikt om de vrijheid van homo’s te bedreigen. Het is kenmerkend voor de huidige staat van (het kritisch denken in) onze maatschappij: Sandew Hira die namens Zwarte queers spreekt en Glenn Helberg die na het ontvangen van een onderscheiding voor “het bevorderen van de homo-emancipatie en acceptatie” en stuk neerpent waarin hij de mond vol heeft van “normaal jongens gedrag.”

We leven in een wereld waar seksisme, racisme, homofobie, validisme, het uitbuiten van non-human animals aan de orde van de dag zijn; we hoeven daar écht niet over in conclaaf te gaan. Het zijn geen meningen. Het zijn feiten.

Verdere informatie:

Black Nations/Queer Nations

Combahee River Collective Statement

Black Is… Black Ain’t